Kapotgeschoten op de Gentse Halfvastenfoor

In 2003 werden er bij opgravingen op het Sint-Pietersplein meer dan 500 fragmenten van kleipijpjes gevonden. De vondst van dergelijke kleipijpjes is niet zo uitzonderlijk. Archeologen vinden ze vrijwel overal terug op vindplaatsen uit de 17de tot de 19de eeuw.  Geïntroduceerd rond 1600 werd het roken van tabak met de pijp immers snel gemeengoed. Pas eind 19de eeuw maakte Europa kennis met de sigaret die de pijp geleidelijk aan van de markt zou duwen.

De pijpjes van het Sint-Pietersplein springen echter in het oog: zo lijken ze nooit gebruikt te zijn om te roken. Bij geen enkel van de pijpjes zijn er roet- of tabaksporen terug te vinden in de kop. Bovendien lijken ze aangekocht in batch en grote hoeveelheden. Tussen het vondstmateriaal is er een grote verscheidenheid aan vormen en decoratie, maar voor alle type pijpen zijn er telkens meerder exemplaren aanwezig. Wat ook opvalt is de grote fragmentatiegraad alsof de pijpjes opzettelijk stuk werden gemaakt. Het hele zootje werd gedumpt in een kuil die kort nadien terug werd opgevuld. In die kuil vonden de archeologen ook zogenaamde ‘mannekes’ uit het schietkraam en al snel werd het verband gelegd met de Halfvastenfoor.

 ‘Mannekes’ zijn pijpaarden figuurtjes die als schietdoel dienden in het schietkraam tijdens de tweede helft van de 19de en 20ste eeuw. Pijpaarde is een fijne ijzerarme en daardoor witbakkende kleisoort die ook gebruikt werd voor de productie van pijpjes en patacons. De ‘Mannekes’ danken de naam aan hun meest gekende verschijningsvorm: het manneke pis of de pisseur. Het aanbod was echter veel breder met een grote diversiteit aan menselijke afbeeldingen en ook dierenfiguren. Verder waren ook schijfvormige elementen zoals sterren en rozetten erg in trek vermoedelijk omdat ze omwille van hun vorm makkelijker te raken en te breken waren. Onder het materiaal van het Sint-Pietersplein zat er onder andere een hond en vogel in maatpak die vermoedelijk een fluit of ander instrument bespeelt. Onderaan hebben ze een gaatje waarmee ze over een ijzeren staafje op de schietstand werden geschoven.

Naast de ‘mannekes’ werd er ook vaak op pijpjes geschoten. Net als vandaag werden er pijpensteeltjes gebruikt, maar ook volledige pijpen waren populaire schietdoelen. Deze pijpjes werden net als de ‘mannekes’ in de mal gemaakt waardoor ook reliëfdecoratie mogelijk werd. De pijpjes van het Sint-Pietersplein vertonen een grote diversiteit. Zowel pijpjes met als zonder hiel komen voor. Sterk vertegenwoordigd zijn de ovale pijpmodellen en rondbodems. Veel van de pijpjes zijn onversierd of hebben een eenvoudige decoratie met ribbels of vlechtwerk. Verschillende blad- en bloemmotieven zijn te herkennen en op bepaalde pijpjes wordt de textuur van boomschors nagebootst. Opvallend is een pijp met de kop in de vorm van een eikel waarbij de steel en de hiel van de pijp uitgewerkt zijn als boomtak. Een aantal pijpenkoppen beelden een everzwijn af dat zich vastbijt in de steel van de pijp. Ook menselijke gedaanten komen voor met reliëfafbeeldingen van soldaatjes en koppen in de vorm van een zittende figuur of van een  mensenhoofd waarbij vooral de aanwezigheid van zogenaamde ‘Morenkoppen’ opvalt. Op basis van vorm en decoratie zijn de pijpjes allemaal te dateren in het eerste kwart van de 20ste eeuw.

Schietkraamkeramiek was een bijproduct van de pijpenbakker. Verkoopscatalogi tonen aan dat producenten zoals Remy (Hilgert, Duitsland), Gambier (Parijs, Frankrijk) en Job Clerc (Saint-Quentin-la-Poterie, Frankrijk) ‘mannekes’ op de markt brachten. Dichter bij huis waren er De Bevere uit Kortrijk en Heurter en Leonard in Andenne. Van de laatste is geweten dat hij zich in de tweede helft zelfs specifiek toelegt op de productie van pijpjes voor het schietkraam en daarbij een eeuwenlange familietraditie van het maken van rookwaar aan de kant schuift. Niet enkel pijpjes die doelbewust voor het schietkraam werden gemaakt, kwamen op de kermis terecht. Pijpenbakkers verkochten ook productieafval van rookwaar aan de foorkramers.

In het Gentse vondstmateriaal komen beide voor: gespecialiseerde producten en productieafval van reguliere rookwaar. De gespecialiseerde producten zijn makkelijk te onderscheiden: doorgaans wordt het rookkanaal niet volledig doorgestoken waardoor inhaleren en roken simpelweg niet mogelijk was. De doorboring van de steel is net diep genoeg om ze over het ijzeren staafje op het schietkraam te schuiven. Ook de gebruikte klei is iets grover en kalkrijker waardoor de pijpjes brozer aanvoelen en ook zijn (dit geeft een betere knal wanneer geraakt door het loodje); Daarnaast zijn ze ruwer afgewerkt met vaak kleiresten ter hoogte van de vormnaad. De reguliere rookwaar onderscheidt zich door een betere kwaliteit in grondstof en afwerking. Het baksel is doorgaans zuiverder en harder.  Vaak heeft de pijpenbakker ook nog de moeite genomen om een stempel of handelsmerk aan te brengen op de hiel, kop of steel van de pijp. Soms zijn de productiefoutjes makkelijk te herkennen en te situeren in het productieproces. Het gaat dan onder andere over vervorming en kleurverschillen door bakken aan te hoge temperaturen, kleurverschillen door het aanbrengen van een ongelijkmatig glazuurlaag voor het bakken en doorboring van de steel- of ketelwand door het onnauwkeurig doorsteken van het rookkanaal. Verschillende pijpjes werden na het bakken nog verder afgewerkt door ze op te wrijven of te glazen, wat enkel werd gedaan bij rookwaar van hoge kwaliteit. Wat deze pijpjes dan tot tweederangs producten maakte, is niet altijd duidelijk. Mogelijk voldeed de uiteindelijke afwerking niet aan de kwaliteitseisen van de rokersmarkt of liepen ze onderweg breuken of kleine beschadigingen op waardoor ze alsnog in het schietkraam terecht kwamen.

Lijst van foorkramers die in 1911 met een schietbarak aanwezig waren op het Gentse Sint-Pietersplein (Modern Archief Gent, Stadsarchief Gent)

De introductie van het schietkraam op de kermis situeert zich in het derde kwart van de 19de eeuw. Voorheen werd ook geschoten op de kermis maar dan met de handboog. Vanaf ca. 1865 gebeurt dit ook met de luchtbuks of flobert. Het papieren archief van de Halfvastenfoor (beschikbaar voor de periode 1892-1911) wijst op het voorkomen van verschillende types schietkramen waaronder de Tir bouteilles, Tir tunnels, Tir mécanique, Tir massacre, Tir World fair, Tir flobert en Tir Salon. Voornaamste verschillen tussen al deze schietkramen of Tir’s was het doel waarop geschoten werd. In de Tir bouteilles werd er geschoten op glazen flessen; in de Tir tunnels werd er dan weer door een lange pijp geschoten op een roos; en in de Tir mécanique werd gemikt op bewegende en ronddraaiende doelen uit blik en metaal. De Tir massacre en Tir World fair hebben een naam die tot de verbeelding spreekt maar die het ook moeilijk te achterhalen maakt waarop precies werd gevuurd. In de Tir flobert en de Tir salon werd er gevuurd op pijpjes en ‘mannekes’.

De Tir flobert benadert nog het best het schietkraam van vandaag: een open barak met daarin rijen pijpjes en figuurtjes. Vaak ging het om een tent. Toen was het centrale deel van het Sint-Pietersplein nog onverhard en palen voor kermistenten werden eenvoudigweg ingegraven. Het archeologisch onderzoek in de periode 2002-2006 bracht tal van paalgaten aan het licht. De Tir salon was een afgesloten tent of barak die met meubels, kroonluchters en draperieën werd ingericht als een huiskamer of een 19de-eeuws salon. Er werd gevuurd naar een rijk versierde decorwand waarin pijpjes stonden opgesteld.

In de 19de en vroege 20ste eeuw werden schietkramen– net als vandaag – gerund door foorreizigers die het ganse jaar door van kermis naar kermis trokken. Standhouders moesten zich bij het stadsbestuur officieel kandidaat stellen en betaalden een vaste prijs per m² voor een standplaats. Jaarlijks werd slechts een beperkt aantal aanvragen gehonoreerd. Vaak kwamen standhouders jaar na jaar ook terug. In die periode komen onder andere de families Toch, Degryze, Delafortrie, Depretere, Levis, Romey, Schmitt en Catulle met een Tir flobert of een Tir Salon naar de Halfvastenfoor.

In de eerste jaren na de eeuwwisseling hadden zowel L.  Romey, weduwe Catulle als weduwe Schmitt een schietbarak in de directe omgeving van de plek waar in 2003 de pijpfragmenten werden aangetroffen. Gooiden één van deze standhouders bij de afbraak van hun tent de pijpjes in een vrijgekomen paalgat? Het is moeilijk met zekerheid te zeggen, maar het is alleszins verleidelijk één van deze individuen aan te duiden als de schuldige.

Dit onderzoek wordt gepubliceerd in de reeks erfgoedmemo’s van de Gentse Vereniging voor Stad, Archeologie, Landschap, Monument (GVSALM). Te verkrijgen vanaf februari 2020 via info@gvsalm.be.


Referenties:

Briefwisseling betreffende de aanbesteding van de Halfvastenfoor en plannen betreffende de standplaatsen 1890-1911 (Stadsarchief Gent, Modern Archief Gent, V, 197-219)

Million Auction Catalogue. Séeberger Frères: L’elégance des regards. Vente aux enchères publiques, Mardi 8 novembre 2016, lot 236.