Pijpjargon

Een pijp bestaat uit een aantal vaste onderdelen elk met een eigen specifieke benaming. Voor de pijpoloog en ook voor de lezer van deze blog is het belangrijk de juiste terminologie te kennen en te gebruiken. Dit schept duidelijkheid en voorkomt verwarring.

Vooraleer jullie verder mee te nemen in de wereld van de kleipijp, belichten we in dit bericht kort de voornaamste onderdelen van een pijp en benoemen we ze met naam en toenaam.

18de-eeuws pijpje aangetroffen in de Seminariestraat in Gent. Aanduiding van de voornaamste onderdelen

Elke pijp heeft een pijpenkop, vaak ook kortweg kop genoemd. Samen met de steel is de kop het belangrijkste onderdeel van de pijp. In de ketel – de binnenzijde van de kop – wordt de tabak gebrand en gestopt. De steel is voorzien van een rookkanaal, een opening in de steel waardoor de rook wordt aangezogen. Soms heeft de steel een afgesneden mondstuk, soms wordt de steel verdikt tot een knoop. Onderaan de pijpenkop, op de overgang van de kop naar de steel, vindt men tot midden 18de eeuw steevast een hiel of voet, een vlakke of cilindrische verlengde voet. Wanneer de hiel in de 19de eeuw eerder puntig wordt, spreken we van een spoor.

De afwerking van de pijp verschilt van periode tot periode. Vanaf de 17de eeuw zijn hoge kwaliteitspijpen doorgaans geglaasd wat betekent dat ze met een agaatsteen worden gepolijst tot ze blinken. Vaak is dit nog herkenbaar aan de striemen op de steel of kop. Tijdens dit proces wordt ook de vormnaad van de persvorm nauwkeurig weggewerkt. Op de filt of ketelopening van de pijp is meestal een bandstempel aangebracht. Ook op de steel vinden we vaak een intaglio, een ingedrukte decoratie of tekst. Sommige stempels worden aan de bovenzijde van de steel ingedrukt, bandstempels lopen rondom de steel. Reliëfpijpen zijn dan weer pijpjes waarvan de kop versierd door het gebruik van een gemodelleerde persvorm.

Op de onderkant van de hiel vindt men vanaf de 17de eeuw vaak een hielmerk terug. Vanaf de tweede helft van de 17de eeuw wordt er in Gouda voor de notaris vastgelegd wie er welk merk mag gebruiken. Het was een vorm van reclame en gauw werd het ook een kwaliteitsmerk waardoor vooral de stempels van de befaamde Goudse pijpenbakkers duchtig werden gekopieerd.

Vanaf het tweede kwart van de 18de eeuw verschijnt het bijmerk op de zijkant van de hiel. Aanvankelijk was het bedoeld als bijkomend kwaliteitsmerk. Vaak is het bijmerk het wapenschild van de stad van productie, maar ook hier moet men rekening houden met vrijbuiters die valse producten onder de vlag van Gouda produceerden.

Vanaf het einde van de 17de eeuw komen we ook vormmakersmerken tegen. Dit merk is bedoeld als intern controle mechanisme in het pijpenmakersatelier. Elke werknemer had zijn eigen mal, met eigen merk. Via deze aanduiding kon de baas optimaal controle houden over de kwaliteit en inzet van zijn personeel. Aanvankelijk is het vormmerk een combinatie van enkele stippen op de zijkant van de hiel, later verschenen ook andere figuren zoals een ster, een maan of een oogje. Bij de betere kwaliteitpijpen was het vormmakersmerk minuscuul, vaak een stipje of oogje naast het bijmerk.